De weg naar je hart is fysiek gezien de kortste afstand die je kunt afleggen. En toch is het in het leven voor sommigen misschien wel het langste pad dat er mag worden afgelegd. Is dat niet wonderlijk?

Iets kan je aan het hart gaan, iemand staat je na aan het hart, je geliefden wonen in je hart en soms heb je het ultieme geluk iemand te mogen ontmoeten wiens hart en ziel één zijn met het jouwe. Maar ondanks dat kan je eigen hart soms zo ver weg voelen. Of misschien niet ver weg, wel onbereikbaar. Over die weg naar mijn hart, de transformatie die ik een flink aantal jaren geleden heb ingezet (het was meer een kwestie van niet meer anders kunnen dan mijn eigen pad te gaan volgen) schreef ik het volgende gedicht:

De weg

Ogenschijnlijk al daar

Om alleen maar te volgen

Maar voelt

Als onontgonnen pad

Met zeis & kaplaars

Moerasgebied

Trotseren

En toch de enige weg

Naar daar

Er waren meerdere momenten dat ik dacht: “En nu ben ik er! Lief hart, ik heb je gevonden en laat je nooit meer gaan!” En dan bleek zo’n moment eerst even een uitkijktorentje, een moment van inzicht met uitzicht op mijn waarachtige hart. Mijn hart dat riep om helemaal van te houden en dat in alles zo klopt. Is het niet wonderlijk, dat je eerst zoveel gewassen moet kappen die het overwoekerd hebben? Dat je zoveel gedachten moet elimineren en zorgen moet sussen voordat je je hart volledig kunt liefhebben? Is het niet gek, dat onze grootste drijfveer hier op aarde soms zo ver van ons verwijderd lijkt?

Of eigenlijk: hoe raar is het dat we onszelf zo van ons eigen pad hebben verwijderd. Dat we er zoveel tussen in hebben laten groeien en we eerder de stem van ‘hoe het hoort’ volgen dan die van ons eigen kompas…

Ik wist één ding heel zeker: mijn hart riep! Er was geen houwen maar aan. Ik kon niet meer terug. Lief hart, nu ik je heb teruggevonden, laat ik je nooit meer in de steek, want jij hebt mij nimmer verlaten!

Laat een reactie achter